
Een richtingaanwijzer die plotseling in een versneld tempo begint te knipperen, is meer dan alleen een technische storing. Dit fenomeen, bekend als hyperflashing, fungeert als een ingebouwd waarschuwingssysteem dat bestuurders attendeert op problemen in het verlichtingscircuit. Wanneer de normale knipperfrequentie van ongeveer 90 knikken per minuut verdubbelt naar 180 of meer, wijst dit bijna altijd op een verstoorde elektrische belasting in het systeem.
Het mechanisme achter dit verschijnsel heeft zijn oorsprong in de ontwikkeling van vroege automotive technologie, toen ingenieurs een elegante oplossing bedachten voor defecte verlichting. Door de flasher relay te ontwerpen met load-sensing functionaliteit, ontstond automatisch een visuele en hoorbare waarschuwing zodra een lamp uitvalt. Deze technische innovatie heeft gedurende decennia ontelbare ongevallen voorkomen door bestuurders tijdig te informeren over niet-functionerende richtingaanwijzers.
Oorzaken van versneld knipperende richtingaanwijzers
De elektronische architectuur van moderne voertuigen maakt gebruik van complexe circuits waarbij elke component een specifieke elektrische belasting vertegenwoordigt. Wanneer deze balans verstoord wordt, reageert de flasher unit door de knipperfrequentie aan te passen. Deze reactie is geen foutief gedrag, maar een bewuste ontwerpkeuze die dienst doet als diagnostisch hulpmiddel voor zowel bestuurders als monteurs.
Defecte gloeilamp in richtingaanwijzer circuit
De meest voorkomende oorzaak van hyperflashing ligt in uitgevallen gloeilampen binnen het richtingaanwijzercircuit. Traditionele halogeenlampen van 21 watt creëren een specifieke weerstand die de flasher relay gebruikt als referentie voor normale werking. Zodra een lamp defect raakt, verdwijnt deze belasting uit het circuit, waardoor de totale weerstand stijgt en het relais sneller begint te schakelen.
Dit mechanisme werkt analoog aan een thermische schakelaar die reageert op veranderende elektrische condities. Bij oudere voertuigen met bimetaal relais zorgt verminderde stroomsterkte ervoor dat het verwarmingselement trager opwarmt, maar moderne elektronische units compenseren dit door de schakelfrequentie te verhogen.
Doorgebrande zekering in flasher unit
Zekeringen in het flasher circuit kunnen doorbranden door overbelasting of kortsluiting, wat resulteert in gedeeltelijke functieverlies van het richtingaanwijzersysteem. Deze situatie manifesteert zich vaak als asymmetrisch knippergedrag, waarbij één kant normaal functioneert terwijl de andere kant versneld knippert of geheel uitvalt.
Moderne voertuigen gebruiken vaak geïntegreerde zekeringssystemen waarbij meerdere circuits door één zekering worden beschermd. Een doorgebrande 10-ampère zekering kan bijvoorbeeld zowel de linker richtingaanwijzers als de achteruitrijlichten beïnvloeden, wat complexe diagnostiek vereist.
Corrosie aan lampfittingen en contactpunten
Corrosie vormt een sluipende bedreiging voor de integriteit van elektrische verbindingen in het verlichtingssysteem. Vocht, zout en andere contaminanten creëren oxidatie op contactpunten, wat resulteert in verhoogde weerstand en inst
abiele stroomtoevoer. Het gevolg is een knipperlicht dat soms normaal, soms te snel of helemaal niet werkt. In veel gevallen zie je ook dat andere lampen in dezelfde unit zwak meeknipperen, wat een duidelijke indicatie is van een slechte massa of aangetaste contacten.
Corrosie treedt vooral op bij voertuigen die veel buiten staan, regelmatig worden blootgesteld aan pekel of offroad worden gebruikt. Door de lampfittingen schoon te maken met contactspray en eventueel licht op te schuren met fijn schuurpapier, herstel je de geleiding en daarmee de normale knipperfrequentie. Blijft het probleem terugkomen, dan is vervanging van de complete lampunit of stekkerverbinding vaak de meest duurzame oplossing.
Kapotte bekabeling tussen flasher relay en lampen
Een minder voor de hand liggende, maar wel serieuze oorzaak van een snel knipperend knipperlicht is beschadigde of onderbroken bekabeling. De kabelboom tussen de flasher relay en de richtingaanwijzers loopt vaak door de wielkasten, dorpels en achterklep, precies op plekken waar beweging, vocht en vuil voor slijtage zorgen. Breuken in de aders of gedeeltelijk doorgesleten isolatie zorgen dan voor een wisselende belasting op het circuit.
Je merkt dit vaak doordat het knipperlicht bij een bepaalde stuurstand, bij trillingen of bij het openen en sluiten van de achterklep opeens sneller gaat knipperen of even uitvalt. Elektrisch gezien lijkt dit voor de flasher unit op een defecte lamp: de stroom zakt kort weg en de elektronica reageert met hyperflashing. Visuele inspectie van de kabelboom, vooral bij scharnierpunten van deuren en kleppen, is dan de eerste stap. Met een multimeter kun je vervolgens de continuïteit testen tussen flasher relay en lampfittingen om exact te lokaliseren waar de onderbreking zit.
Storing in LED richtingaanwijzers zonder load resistors
Steeds meer bestuurders vervangen hun halogeen richtingaanwijzers door LED-lampen, vanwege de modernere look en langere levensduur. LED knipperlichten verbruiken echter aanzienlijk minder stroom dan de originele 21W gloeilampen. Voor een klassiek of semi-elektronisch flasher relais lijkt dit alsof er een lamp is doorgebrand, met als resultaat: een te snel knipperende richtingaanwijzer of zelfs een foutmelding op het dashboard.
Om dit te voorkomen, wordt bij een LED-conversie vaak een load resistor parallel aan de LED gemonteerd. Deze weerstand simuleert de stroomafname van een traditionele lamp, zodat de flasher unit geen hyperflashing activeert. Het nadeel is dat de resistor warmte ontwikkelt – vergelijkbaar met een klein elektrisch kacheltje – en dus stevig gemonteerd en uit de buurt van kunststof delen moet worden geplaatst. In moderne voertuigen met CAN-bus en slimme boordcomputers is het vaak verstandiger om LED-compatibele richtingaanwijzers of een speciaal CAN-bus LED relais te gebruiken, in plaats van achteraf weerstanden toe te voegen.
Technische werking van de flasher relay unit
Om een snel knipperend knipperlicht goed te kunnen diagnosticeren, is het nuttig te begrijpen hoe de flasher relay unit zelf werkt. In de basis is het niets anders dan een elektronische schakelaar die periodiek de stroom naar de richtingaanwijzers onderbreekt. Hoe vaak per minuut die schakelcyclus plaatsvindt, hangt af van het type relais, de elektrische belasting en – bij moderne auto’s – de stuursoftware in de Body Control Module (BCM).
We kunnen grofweg drie generaties onderscheiden: klassieke thermische relais, elektronische flasher units en volledig geïntegreerde BCM- of CAN-bus systemen. Elk systeem gaat op zijn eigen manier om met een afwijkende belasting, en dus ook met een te snel knipperend knipperlicht. Wanneer je weet welk systeem in jouw auto zit, kun je gericht zoeken naar de oorzaak in plaats van lukraak lampen en relais te vervangen.
Thermische flasher relais mechanisme
In oudere voertuigen – grofweg tot begin jaren 2000 – werd het knipperritme vaak geregeld door een thermisch relais met bimetaalstrip. Dit mechanisme werkt een beetje als een ouderwetse strijkijzerthermostaat: stroom verwarmt een strip van twee verschillende metalen die verschillend uitzetten. Door de buiging van de strip worden contacten geopend en gesloten, waardoor de richtingaanwijzers aan en uit gaan.
De snelheid waarmee dit gebeurt, hangt direct samen met de stroom door het circuit. Is de belasting correct (bijvoorbeeld twee 21W lampen en eventueel een aanhanger), dan warmt de bimetaalstrip op het juiste tempo op en krijg je ongeveer 90 knipperingen per minuut. Valt er een lamp uit of is er een slecht contact, dan verandert de stroomsterkte en daarmee de opwarmtijd. Afhankelijk van de precieze constructie kan het relais dan sneller of juist langzamer gaan schakelen, maar autofabrikanten hebben dit in de praktijk meestal zo gekalibreerd dat een defect zich uit in een duidelijk sneller knipperend knipperlicht.
Elektronische flasher units met capacitor circuits
Elektronische flasher units vervangen het mechanische bimetaal door halfgeleiders en condensatoren (capacitor circuits). In plaats van warmte gebruiken ze de laadtijd van een condensator om het knipperritme te bepalen. Je kunt het vergelijken met een zandloper: de condensator laadt zich tot een bepaalde drempelspanning, waarop de transistor schakelt en de lampen laat oplichten. Daarna loopt de spanning weer terug en begint de cyclus opnieuw.
Het voordeel van deze aanpak is dat de knipperfrequentie veel stabieler blijft, ongeacht kleine variaties in temperatuur of boordspanning. Tegelijkertijd kan de elektronica zo worden ontworpen dat hij nog steeds gevoelig is voor grote afwijkingen in belasting. Daalt de stroom door een defecte lamp of LED-ombouw sterk, dan interpreteert de flasher unit dit als foutconditie en schakelt hij bewust sneller om de bestuurder te waarschuwen. Dit maakt elektronische flasher units tot een betrouwbaar diagnose-instrument bij problemen met het knipperlicht.
Load sensing functionaliteit in moderne voertuigen
In moderne auto’s is de flasher functie vaak geïntegreerd in een Body Control Module (BCM) of comfortmodule. Deze module bewaakt continu de stroom die naar elk verlichtingscircuit gaat, een functie die we load sensing noemen. In plaats van een losse flasher relay met vaste karakteristiek, bepaalt de software in de BCM welk knipperritme wordt aangestuurd en wanneer er een foutmelding op het dashboard verschijnt.
Dit systeem maakt het mogelijk om preciezer te detecteren of een knipperlichtlamp defect, los of vervangen door een ongeschikte LED is. De module vergelijkt de gemeten belasting met vooraf ingestelde referentiewaarden. Zit de stroom daar onder, dan wordt niet alleen hyperflashing geactiveerd, maar verschijnt vaak ook een tekstuele waarschuwing zoals “richtingaanwijzer links achter defect”. De keerzijde is dat het systeem gevoeliger is voor kleine afwijkingen door corrosie of slechte massa, wat kan leiden tot sporadische foutmeldingen en onvoorspelbaar gedrag van het knipperlicht.
Can-bus integratie bij digitale richtingaanwijzer systemen
Bij voertuigen met een volledig digitale architectuur communiceren alle modules via de CAN-bus. De richtingaanwijzers worden dan niet meer direct door een simpele schakelaar gevoed, maar door digitale commando’s die vanuit de stuurkolomschakelaar naar de BCM of lichtmodule worden gestuurd. Die module stuurt vervolgens de knipperlichten aan via MOSFET’s of relais, terwijl hij via de CAN-bus feedback geeft aan het instrumentencluster.
In zo’n systeem kan een te snel knipperend knipperlicht ontstaan door drie hoofdtypen storingen: een fysieke fout in het lampcircuit (lamp, stekker, massa), een fout in de aansturende module (bijvoorbeeld een doorgebrande uitgang in de BCM) of een softwarematige fout in de communicatie. Omdat de CAN-bus ook gebruikt wordt voor andere systemen, zie je in storingsgevallen soms een combinatie van symptomen, zoals een snel knipperende richtingaanwijzer én een brandend ABS-lampje. Uitlezen met een diagnosetester is dan essentieel om gerichte foutcodes te vinden in plaats van uitsluitend mechanisch te zoeken.
Diagnose methoden voor knipperfrequentie problemen
Wanneer je richtingaanwijzer te snel knippert, is het verleidelijk om direct het eerste lampje te vervangen dat je ziet. Toch is een gestructureerde diagnose meestal sneller én goedkoper. Door systematisch te controleren, voorkom je dat je onnodig onderdelen vervangt of het werk twee keer moet doen. Bovendien kun je zo onderscheid maken tussen een simpel probleem – zoals een defect lampje – en een complexere storing in de bedrading of module.
Een praktische aanpak begint altijd met een visuele inspectie: werken alle knipperlichten voor, achter en in de spiegels of zijschermen? Vergelijk links en rechts, en test ook de alarmlichten. Werkt alles met de alarmlichten wel normaal, maar bij gebruik van de richtingaanwijzer niet, dan ligt de oorzaak vaak bij de schakelaar of een specifiek deel van het circuit. Blijft de knipperfrequentie te hoog, dan ga je stap voor stap verder met meten en controleren.
- Stap 1: Controle van lampen en fittingen. Kijk of alle lampen branden op de betreffende zijde. Verwijder de lampen, controleer op zwarte aanslag, verkleuring en gesmolten kunststof. Reinig de fittingen met contactspray en monteer ze stevig terug.
- Stap 2: Meten van spanning en massa. Gebruik een multimeter of proeflampje om te meten of er 12V op de fitting staat wanneer het knipperlicht actief is. Controleer ook de massa-aansluiting door de spanningsval te meten tussen lampmassa en accumin.
Blijken lamp en voeding in orde, dan verschuift de aandacht naar de zekeringen, flasher relay en eventueel de BCM. Raadpleeg het schema in de handleiding om de juiste zekering en relaislocatie te vinden. Bij CAN-bus voertuigen is het raadzaam om met een OBD2-diagnosetool foutcodes uit te lezen. Codes zoals B1499 (richtingaanwijzer linkerzijde circuit laag) geven een directe aanwijzing waar de storing gezocht moet worden. Door de foutcodes na elke stap te wissen en opnieuw te testen, zie je snel of je ingreep effect heeft gehad.
Specifieke symptomen per voertuigmerk en model
Hoewel het basisprincipe van een snel knipperend knipperlicht bij vrijwel alle auto’s hetzelfde is, zijn er per merk en model typische zwakke plekken. Wie ervaring heeft met een bepaald type auto, herkent de patronen vaak direct: een Golf met een snel knipperende aanhanger, een BMW met een “verkeerde lamp” melding of een Mercedes die bij regen ineens richtingaanwijzerstoringen geeft. Door deze bekende symptomen te kennen, kun je gericht zoeken en tijd besparen.
Hieronder gaan we in op enkele veelvoorkomende modellen en hun specifieke aandachtspunten bij een te snel knipperend knipperlicht. Zie het als een praktische gids: herken je jouw auto of een vergelijkbaar systeem, dan heb je meteen een shortlist met zaken die je als eerste kunt controleren. Let wel: exacte locaties en benamingen kunnen per bouwjaar en uitvoering verschillen, dus raadpleeg altijd ook de werkplaatshandboeken of officiële documentatie.
Volkswagen golf en passat flasher relay locaties
Bij veel Volkswagen Golf- en Passat-modellen uit de jaren 90 en vroege 2000’s is de flasher relay nog een los component in de zekering- of relaiskast. Bekende exemplaren zijn de Golf III, IV en de Passat B5, waar de flasher relay vaak gecombineerd is met de alarmlichtschakelaar in het dashboard. Een snel knipperend knipperlicht kan daarom soms net zo goed wijzen op slijtage in die schakelaar als op een defect lampje of relais.
Bij latere generaties, zoals de Golf V/VI en Passat B6/B7, is de knipperfunctie geïntegreerd in de boordelektronica (BCM). Hier zie je typische storingen rondom de stekkerblokken onder het dashboard of in de buurt van de A-stijl, waar vocht en beweging voor contactproblemen zorgen. Een klacht als “knipperlicht knippert te snel rechtsvoor, maar alarmlichten werken wel goed” wijst bij deze modellen vaak op een lokaal probleem in de koplampunit of bedrading, niet op een defecte BCM. Controleer daarom eerst de lamp, stekker en massa-aansluiting, voordat je dure modules gaat vervangen.
BMW E46 en E90 serie richtingaanwijzer storingen
Bij de BMW 3-serie E46 staan de achterlichtunits bekend om hun gevoelige massa-aansluitingen. Een loszittende of verbrande massapin zorgt ervoor dat de richtingaanwijzer sneller gaat knipperen, terwijl soms ook de rem- of stadslichten zwak meeknipperen. BMW heeft hiervoor zelfs servicebulletins uitgebracht, waarin wordt geadviseerd een extra massadraad of verbeterde stekker te monteren. Zie je in je E46 dus een snel knipperend knipperlicht achter, kijk dan eerst naar verkleuring of smeltplekken rondom de massapin in de stekker.
Bij de latere E90/E91/E92 modellen is de lichtfunctie meer geïntegreerd in de voetruimte-module (FRM). Een te snel knipperend knipperlicht gaat hier vaak gepaard met een melding op het iDrive-scherm of in het instrumentencluster. Bekende problemen zijn door vocht aangetaste stekkers bij de koplampen en storingen in de FRM zelf, bijvoorbeeld na spanningspieken of accuproblemen. In sommige gevallen kan herprogrammering of het wissen van foutcodes de FRM weer tot leven wekken, maar bij blijvende uitval is vervanging en codering van de module noodzakelijk.
Mercedes-benz W204 en W211 knipperlicht diagnostiek
Mercedes-Benz modellen zoals de W211 (E-klasse) en W204 (C-klasse) gebruiken uitgebreide SAM-modules (Signal Acquisition Modules) om verlichting en richtingaanwijzers aan te sturen. Een snel knipperend knipperlicht gaat hier vaak samen met een tekstmelding in het display, bijvoorbeeld “Rechter richtingaanwijzer achter defect”. Omdat de SAM-modules de stroom nauwkeurig meten, ontstaan storingen niet alleen bij defecte lampen, maar ook bij goedkope LED-vervangingslampen zonder juiste CAN-bus compatibiliteit.
Bij de W211 zijn verouderende achterlichtunits en corroderende stekkerverbindingen veelvoorkomende boosdoeners. De W204 heeft op zijn beurt soms last van microscheurtjes in printbanen van de SAM-module na jarenlange temperatuurschommelingen. Merkt je dat het probleem alleen optreedt bij regen of bij het openen van de kofferklep, controleer dan eerst de kabeldoorvoer in de klep en de stekkers op vochtsporen, voordat je dure elektronica vervangt. Uitlezen met een Mercedes-specifieke diagnosetester helpt om exact te zien welke uitgang van de SAM afwijkend gedrag vertoont.
Ford focus en fiesta common flasher unit defecten
Bij Ford Focus en Fiesta-modellen van begin jaren 2000 is de richtingaanwijzerfunctie vaak ondergebracht in een combinatie van stuurkolomschakelaar en gemoduleerde flasher unit in de zekeringkast. Een bekend symptoom is een willekeurig snel knipperend knipperlicht of het volledig uitvallen van een zijde, terwijl alle lampen zelf nog goed zijn. In zulke gevallen blijkt de flasher relay in de interieurzekeringkast vaak de boosdoener, vooral als deze na jaren gebruik intern is versleten.
Latere Focus- en Fiesta-generaties, met meer geïntegreerde BCM-systemen, vertonen eerder problemen met de bedrading naar de achterlichten of met de contactstrip van de trekhaakmodule. Heb je een snel knipperend knipperlicht zodra er een aanhanger is aangesloten, controleer dan de 7- of 13-polige stekkerdoos op roest, vuil en verbogen pennen. Ford-specifieke foutcodes in de BCM geven meestal duidelijk aan of er sprake is van een belastingprobleem, een kortsluiting of een open circuit. Door die informatie te combineren met een visuele inspectie, kun je de oorzaak van hyperflashing in deze modellen vaak snel achterhalen.
Reparatie procedures en onderdelen vervanging
Zodra je de oorzaak van het te snel knipperende knipperlicht hebt vastgesteld, is de volgende stap uiteraard de reparatie. In veel gevallen is dat gelukkig eenvoudig: een lampje vervangen, een fitting schoonmaken of een verbinding vastzetten. Toch zijn er ook situaties waarin je dieper het elektrische systeem in moet duiken, bijvoorbeeld bij defecte flasher relais, nodige LED-weerstanden of een herprogrammering van de BCM na vervanging van modules.
Belangrijk is dat je gestructureerd werkt en, waar mogelijk, maar één variabele tegelijk verandert. Zo kun je achteraf goed beoordelen welke ingreep het probleem daadwerkelijk heeft opgelost. Werk altijd met de juiste specificaties: een richtingaanwijzerlamp van de verkeerde wattage of een weerstand met onjuist vermogen kan niet alleen het knipperritme verstoren, maar ook leiden tot oververhitting of nieuwe storingen.
Flasher relay vervangen in zekeringkast
Bij voertuigen met een los flasher relais is vervanging vaak een van de eenvoudigste en meest effectieve reparaties. Het relais bevindt zich meestal in of nabij de interieurzekeringkast, achter het dashboard of in de motorruimte. In de handleiding of op het deksel van de zekeringkast staat vaak aangegeven welk relais verantwoordelijk is voor de richtingaanwijzers. Soms is het herkenbaar aan een pijl- of knipperlichtsymbool.
Voordat je het relais vervangt, is het verstandig om eerst te testen met een bekende goede lamp of het probleem niet simpelweg in de belasting zit. Blijft het knipperlicht aan één zijde te snel knipperen, terwijl de alarmlichten wél normaal functioneren, dan kan het zijn dat alleen het deel van de schakeling in de stuurkolom of in de relaismodule zelf beschadigd is. Door een identiek relais (liefst OEM of van een gerenommeerd merk) te monteren, voorkom je compatibiliteitsproblemen en zorg je dat de load sensing functionaliteit correct blijft werken.
Richtingaanwijzer lampen controleren en vervangen
Het controleren en vervangen van richtingaanwijzer lampen lijkt een eenvoudige handeling, maar juist hier gaan veel dingen mis. Een veelvoorkomende fout is het gebruik van een lamp met een te laag wattage of een verkeerde fitting (bijvoorbeeld BAU15s in plaats van PY21W), waardoor de flasher unit een afwijkende belasting detecteert en het knipperlicht te snel laat knipperen. Controleer daarom altijd de specificatie in het instructieboekje of op de oude lamp vóór vervanging.
Bij het monteren is het belangrijk dat de lamp stevig in de fitting klikt en dat er geen speling is. Reinig de contacten indien nodig met een zachte borstel en contactspray. Zie je sporen van smelten of verkleuring in de lampunit, dan is het verstandig om de hele unit nauwkeurig te inspecteren of zelfs te vervangen, omdat oververhitting voor blijvende weerstandstoename kan zorgen. Test na vervanging de richtingaanwijzers links, rechts en met alarmlichten om zeker te zijn dat de knipperfrequentie overal weer normaal is.
Load resistors installeren bij LED conversie
Wanneer je bewust hebt gekozen voor LED richtingaanwijzers in een auto die daar oorspronkelijk niet op ontworpen is, ontkom je vaak niet aan de installatie van load resistors. Deze weerstanden worden parallel aan de LED gezet, zodat het totale verbruik in de buurt komt van de originele 21W lamp. Een praktische vuistregel is dat je per vervangen lamp één weerstand nodig hebt, met een vermogen van doorgaans 25–50 watt en een weerstand van rond de 6–8 ohm, afhankelijk van systeemspanning en specificaties.
Monteer de weerstanden altijd op een metalen oppervlak of een speciaal koelplaatje, omdat ze tijdens gebruik flink opwarmen. Gebruik hittebestendige kabelschoentjes en zorg voor een solide massa- en plusaansluiting. Om overbelasting van het circuit en brandgevaar te voorkomen, is het raadzaam om geen improvisaties met huis-, tuin- en keukenweerstanden te doen, maar een automotive-specifieke oplossing te kiezen. Test na montage elk knipperlicht afzonderlijk en controleer of de boordcomputer geen foutmeldingen meer geeft en de knipperfrequentie bij alle rijmodi (knipper, alarm, eventueel aanhanger) correct is.
BCM module programmering na onderdeel vervanging
Bij moderne voertuigen waarin de richtingaanwijzerfunctie in de BCM, FRM, SAM of een vergelijkbare module is geïntegreerd, kan vervanging van deze module niet zonder meer plug-and-play gebeuren. De nieuwe of gereviseerde module moet vaak geprogrammeerd of gecodeerd worden, zodat deze de juiste voertuigconfiguratie kent: type lampen, aanhangerfunctie, knipperfrequentie, enzovoort. Doe je dit niet, dan kun je te maken krijgen met blijvend snel knipperende knipperlichten, foutcodes of niet-werkende verlichting.
Programmering gebeurt doorgaans met merkspecifieke diagnosetools of hoogwaardige universele testers die online toegang hebben tot fabrikantendata. In de software stel je onder meer de lichtconfiguratie in (halogeen of LED), controle-intensiteit van de load sensing en eventuele extra functies zoals comfortknipperen (drie keer knipperen bij een korte tik). Laat je deze werkzaamheden bij een specialist uitvoeren, vraag dan expliciet of de module op jouw chassisnummer is gecodeerd en of alle knipperlichtfuncties zijn getest. Zo voorkom je dat je na een dure modulewissel alsnog rondrijdt met een knipperlicht dat te snel knippert.